Zo’n liefde

Als ik de wachtkamer van mijn huisarts in loop, hoor ik zacht gehuil. Ik vergeet mijn eigen kloppende vinger die gehecht moet worden. De wachtkamer is groot en de bankjes zijn leeg. Op één bankje na. Op die plek zit een vrouw van in de zestig te huilen, haar man heeft een arm om haar heen geslagen. Hij wrijft zachtjes met zijn wijsvinger over haar elleboog, het is een ritme dat moet helpen. De vrouw heeft een rood gevlekt gezicht en dept haar tranen met een nat propje papier, dat ooit een zakdoekje was. Haar hoofd rust op de schouder van de man en af en toe verstopt ze haar gezicht in zijn hals. In zijn hals huilt ze luider. Hun oude handen, met opgezette aderen liggen verstrengeld op zijn knie. Ze huilt op zo’n manier dat ik het voel. Haar zeer vindt een weg bij mij naar binnen. Soms heb ik dat bij een kind ook. Wat een verdriet, denk ik dan. Zulk verdriet bij een oude vrouw zien, is extra droevig. 

Ik bedenk wat er kan zijn gebeurd. Wat ze van de dokter heeft gehoord, waardoor ze zo van slag is. Ik zie hen zitten voor het bureau van onze huisarts. Zij nog niet huilend, hij nog niet over haar elleboog wrijvend. Wel die handen op dezelfde manier verstrengeld op zijn knie.
‘U heeft Alzheimer, mevrouw, het spijt me.’
‘U heeft kanker mevrouw, uw borsten moeten eraf.’
Nee, dat is niet wat de dokter zegt.
De dokter kijkt hèm aan. Het is zijn ziekte. Dat moet het zijn.
Hij heeft kanker en zij verdriet. Dat is het.

Ik denk dat dit het is, omdat het bij mij zo zal zijn.
Omdat ik de angst voor zijn dood al met me meedraag sinds onze eerste ontmoeting.

Als mijn vinger is gehecht, loop ik terug naar de wachtkamer. De vrouw zit nu alleen, kijkt naar de vloer, een stille traan walst door de rimpels van haar wang. Ik voel dat er ook bij mij tranen opkomen.
‘Mevrouw?’ Ik leg mijn hand heel zacht op haar rug. ‘Ik weet niet wat er aan de hand is, maar ik wilde u even veel sterkte wensen.’
‘Dank je,’ zegt ze. ‘Lief.’
Ik laat mijn hand even liggen en de vrouw begint heviger te snikken. ‘Zal ik even bij u komen zitten?’ vraag ik dan. ‘Tot uw man terug is?’
‘Ja,’ knikt ze. ‘Hij is plassen.’ Met haar propje papier veegt ze over haar opgezette ogen.
‘Gaat het een beetje?’ vraag ik. Domme vraag, maar ik vraag het.
‘Ik ben zo bang,’ fluistert ze. ‘Voor alles.’
Ze kijkt naar haar handen. ‘Ik ben bang om naar de supermarkt te gaan, ik ben bang om naar de bakker te gaan, zelfs voor het uitlaten van de hond ben ik bang.’
Haar man heeft geen kanker, denk ik opgelucht. De vrouw heeft straatvrees. ‘Wat naar voor u zeg.’

Als haar man weer binnenkomt, blijft hij even voor ons staan. Liefdevol kijkt hij naar zijn vrouw. Ik ga staan.
‘Gaat u maar zitten.’
Dat doet hij, precies op dezelfde manier als net. De vrouw vouwt zich tegen hem aan, zoals ze waarschijnlijke elke dag doet. Zo zitten deze mensen al jaren.
‘Hij heeft een paar maanden geleden een hartinfarct gehad begrijp je wel,’ zegt ze. ‘Hij was bijna dood.’
‘Och jee,’ zeg ik tegen de man. De man maakt een wegwuifgebaar met zijn hand, hij kijkt of het hartinfarct een bezoekje aan de bloemenboer was.
‘Bijna dood en nu kan ik hem niet alleen laten.’
Geen straatvrees, ziek van angst, ziek van liefde.
‘Ja, dat lijkt me heel moeilijk,’ zeg ik. ‘U bent natuurlijk bang dat er weer wat gebeurt.’
‘Nee,’ zegt de vrouw, ‘Nee, ja dat ook natuurlijk. Maar ik wil gewoon zo graag bij hem zijn.’
Ze tilt haar hoofd op, ze kijken elkaar aan. Hij doet zachtjes een pluk haar, nat van de tranen, achter haar oor, en glimlacht. Ze reageert met een snik.

‘Ik ben te kort bij hem geweest,’ zegt ze. ‘Zeventwintig jaar, we hebben alles gedeeld samen; kinderen, kleinkinderen, trouwpartijen, vakanties, mensen die dood gingen, er gingen ook zoveel mensen dood. Maar er is nog zoveel meer.’ Ze pakt zijn hoofd beet en zoent hem. Het is een droge, harde zoen en ik moet huilen.
‘Ik wil gewoon bij hem zijn,’ zegt ze.
‘Ik begrijp het.’
Ik begrijp het te goed voor iemand die zo jong is als ik.

Dit zijn mensen die elkaar leerden kennen en die de mooie en de lelijke dingen aan elkaar lieten zien. Dat doen wij ook. Dit zijn mensen die van elkaar houden, zelfs als ze niet van elkaar houden. Dat doen wij ook. Dit zijn mensen die doorleven in elkaars leven, nadat ze zijn gestorven. Dat is iets waar ik niet aan wil denken.

De vrouw snuit haar neus.
Ik zeg zachtjes ‘dag’ tegen de man en wens de vrouw veel sterkte, dan loop ik naar buiten en ik huil. Eventjes, zachtjes. Omdat ik de vrouw ben. Omdat hij de man is. Wij hebben zo’n liefde. Ik ben bang en gelukkig. Hij mag niet doodgaan, niet voor mij, niet na mij, nooit. Ik lach. Ik heb zo’n liefde.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s